Tussen Khiva en Bukhara liggen 430 km. Zo’n 250 daarvan rijden we over een nieuwe betonnen autostrade. De temperatuur blijft onveranderd rond de 42-43 graden. Dat maakt dat we af en toe stoppen om onze velgen en banden te laten afkoelen, want een klapband met 120 per uur is het laatste wat je hier wil meemaken.
Weeral goed choco bereiken we Bukhara, de belangrijke stad langs de oude Zijderoute, die in 1265 bezocht werd door de vader en de oom van Marco Polo, Niccoló en Matteo, die goede maatjes werden met de Mongoolse Khan. Tussen 1271 tot 1295 reisden de beide Polo’s opnieuw van Europa naar Azië, ditmaal in opdracht van de Khan, die hen had gevraagd hem olie uit de lampen uit de heilige grafkerk in Jeruzalem mee te brengen, want de Mongoolse leider was geïnteresseerd geraakt in het christendom. Naast heilige olie bracht Niccoló Polo ook zijn zoon Marco mee, die precies 700 jaar voor uw dienaar werd geboren, in 1254 om precies te zijn. Mijn naamgenoot Marco bleef tijdens die reis 24 jaar weg van huis. Mijn vrouw moet dus nog niet klagen.
Illustere voorgangers
Het was verbazingwekkend om vast te stellen dat grote middeleeuwse reizigers als Ibn Battuta in hun tijd zowat dezelfde route door de steppen volgden als wij vandaag. Ibn Battuta (1304 – 1369) reisde van Tanger naar China. Ook hij nam de route ten noorden van de Kaspische Zee en trok daarna door de eindeloze steppen richting Bukhara. In zijn reisboek Kitaab Rihla kan je lezen dat hij net als wij langs de Amu Darya reisde. Weliswaar was hij zeven eeuwen geleden slimmer dan wij, want hij deed het in de winter, gezeten op een ossenkar, met een dikke bontmantel aan. Maar wel klagend over de kou. We kunnen ervan meepraten: dat is de prijs die je betaalt als je over land in Khiva en Bukhara wil geraken: ofwel vries je uit je broek, ofwel smelt je onderweg langzaam weg tot er niets meer van je overblijft.
Ook de Vlaamse franciscaan Willem Van Rubroeck reisde van 1253 tot 1255 naar Tartarië, misschien als gezant van koning Lodewijk van Frankrijk, maar zeker als missionaris. Om de Mongolen het christendom bij te brengen. Ook hij draaide naar Azië af ten noorden van de Kaspische zee, maar in tegenstelling tot Peeters en Helsen bleef hij ook ten noorden van het Aralmeer op zijn reis.
Zelfs Genghis onder de indruk
Bukhara is dus een naam als een klok langs de karavaanwegen van de zijderoute. Af en toe kreeg de stad ook zware klappen, zoals na de Mongoolse invasie. “De moskeeën, colleges en de bazaars zijn ruïnes. Er is hier geen mens die enige geleerdheid heeft, of die enige belangstelling toont om het te verwerven”, schreef Ibn Battuta. De grote stad had geprobeerd de Mongolen te weerstaan tijdens de invasie en werd totaal verwoest.
Vandaag is Bukhara nog altijd een stad vol monumenten, al dateren de meesten uit de 16de eeuw. Een van de indrukwekkendste is zeker en vast de enorme Kalon of Kalyan minaret, 47 meter hoog en bijna 900 jaar oud, want ze werd opgericht in 1127. Negen eeuwen lang weerstaat de minaret dus aan aardbevingen en plunderingen. Genghis Khan was zo onder de indruk van het bouwsel, dat hij aan zijn troepen het bevel gaf de minaret te sparen, terwijl ze de rest van Bukhara verwoestten. En geloof me, volgens wat ik ooit al van de slopingswerken van Genghis Khan heb aanschouwd, was die mens niet snel onder de indruk …
De fundamenten van de minaret gaan tot 10 meter diep onder de grond en naar verluidt staat de kolossale toren op rieten matten, om hem op die manier aardbevingsbestendiger te maken. Vooral ‘s avonds, wanneer de minaret fraai wordt verlicht, is het zicht indrukwekkend.
Terechtstellingen
De Kalon minaret torst ook een gewelddadig verleden. Ze werd door de emirs van Bukhara gebruikt om misdadigers terecht te stellen: die werden er gewoon afgegooid. Tot die categorie behoorden ook vrouwen die op overspel waren betrapt. Ook zij werden naar beneden gezwierd, weliswaar eerst ingenaaid in een lederen zak, om geen vlekken te maken op de mooie tegels aan de voet van de minaret. Propere jongens, die emirs van Bukhara …
Ik ben verbaasd over de evolutie die de stad meemaakte sinds mijn laatste bezoek in 2002. Op twintig jaar tijd is Bukhara uitgegroeid van een half vergeten oord tot een compleet gerestaureerde monumentenstad. Wel honderd pensions en hotels zijn er bijgekomen. En winkeltjes met prullaria voor de toeristen zijn er overal, net als geldautomaten.
De luizenput
We nemen ons voor niet elke moskee en madrassa (godsdienstschool) te bezoeken. Maar voor de oude gevangenis van de stad wil ik wel een uitzondering maken. Daar bevindt zich immers de beruchte ‘luizenput’, waarin de meest verachte misdadigers van de stad werden gegooid. Zo ook de ongelukkige Britse kolonel Charles Stoddart. Die trok in 1839 de stad in om emir Nasrullah Khan te vertellen dat hij niks te vrezen had bij de Britse invasie in Afghanistan. Zijn superieuren, die duidelijk geen idee hadden van de ijdelheid van de emir en zijn daaraan gekoppelde megalomanie, hadden Stoddart op weg gestuurd zonder geschenken. De officiële brief die hij bij zich droeg was bovendien niet van koningin Victoria, maar ‘slechts’ van de gouverneur-generaal van India. Tot overmaat van ramp reed de kolonel naar De Ark (het zwaar versterkte paleis van de emir) op zijn paard, in plaats van de vesting uit respect te voet te benaderen zoals iedereen.
Dat alles kwam de arme Stoddart duur te staan: de gepikeerde emir zwierde hem in de gevangenis, waar ik nu binnen sta te gapen aan een zes meter diepe put, waar je alleen via een touw kon inklauteren. Bovenop de put ligt een zwaar ijzeren raster. Beneden in de sinistere kuil zie ik een pop die een gevangene moet uitbeelden.
Stoddart bracht hier een groot deel van de twee jaar door die de emir hem gevangen hield. Zijn enige gezelschap: ratten en luizen, vandaar de naam ‘de luizenkuil’. Na twee jaar arriveerde de volgende Britse gezant, kapitein Conolly. Die moest uitvissen wat er met de kolonel was gebeurd, en proberen hem vrij te krijgen. Liep dat even fout, want de emir zwierde ook hem in de ‘luizenput’.
De kittelorige heerser was er nu ook helemaal van overtuigd dat Groot-Brittannië niks voorstelde, zeker nadat hij niet eens een antwoord had gekregen op zijn brief aan koningin Victoria. En dus wilde hij zo spoedig mogelijk van zijn twee Britse gevangenen af.
Op 24 juni 1842 werd het onfortuinlijke tweetal onder grote publieke belangstelling verplicht om op het grote plein voor ‘De Ark’ hun eigen graf te delven. Daarna roffelden de drums en werden ze onthoofd. Stoddart en Conolly werden in hun graven gegooid en bedolven onder zand. That was it. Hun lichamen liggen nog steeds ergens onder de plaveien op het enorme plein.
Terwijl ik me over de put buig, probeer ik me voor te stellen hoe je het daar twee jaar in kan volhouden. Dan komt er een man de kamer boven de put binnen. Hij kijkt eens naar beneden, tast in zijn zakken, gooit een muntstuk in de put en wandelt weer weg. Misschien hoopt hij nog eens terug te keren naar dit sinistere oord, zoals de toeristen in Rome die geld in de Trevifontein gooien.
Wie een put graaft voor zichzelf of voor een ander heeft tenminste nog werk … 😅
Mijn uit de hand gelopen hobby: Boeken!
Mijn kasten barsten uit hun voegen van o.a. oude en nieuwe reisverhalen (waaronder enkele van jou Marc), aardrijkskunde, geschiedenis (in verschillende talen), National Geographic edities van het jaar stillekes, verzameld van begin jaren 60 …
Het net bulkt van informatie en toch kan ik ècht genieten van jullie reisreportage.
Het was vandaag ook weer de moeite *****
PS: Verschil tussen de Luizenput en Trevi:
De centjes in de luizenput liegen te diep.
De Trevi-fontein wordt stiekem door toeristen geplunderd (zegt een krantenartikel). 😀