Vrijwel onmiddellijk na Langar gaat de Pamir Highway in een serie haarspeldbochten omhoog naar de 4.344 m-hoge Kargush-pas. Daarbij ontrolt zich een berglandschap dat zijn gelijke niet kent, met de meer dan 6.000 m hoge sneeuwbergen van Afghanistan, die aan de rechterkant het schouwspel domineren. Het is een van de mooiste etappes die een motorrijder kan rijden. Urenlang komen we geen ander verkeer tegen. Na de pas komen we in een hoogland dat boven de 4.000 meter ligt en een even verbijsterend als impressionant beeld van de hoge Pamir oplevert. Ook al omdat het links en rechts wordt afgelijnd door bergen met de meest grillige vormen. Soms zijn ze roestbruin, soms hebben ze de kleur van amber, soms zijn ze witgrijs.
“Ik lig er”
Op een recht stuk hoor ik plots een kreet in mijn helm, en daarna een nuchter: ‘Ik lig er.”
Frank is onderuit gegaan na een slippertje. Na wat gezwoeg zetten we de motor weer recht. Er lijkt geen schade, noch aan de bestuurder, noch aan de motor.
Negen uren lang zwoegen we zo verder, maar dit keer is het met veel plezier. Na een laatste bocht is er plots een riviertje, dat wordt geflankeerd door groene weilanden. Het lijkt wel een fata morgana. Dit is Murghab, een oord dat ook Murgat zou kunnen heten, want zelden heb ik een meer afgelegen en desolaat ogend dorp gezien.
Iedereen die ooit de Pamir doorkruist belandt vroeg of laat in het totaal afgeleefde Hotel Pamir, een dump, die nu wordt gerund door een oude Kirgies met een witte geitensik. Maar Frank en ik zijn te moe om ons zorgen te maken over de belabberde accommodatie, wij willen alleen maar een bed. En dat krijgen we: een plank met een overtrek erop. In de douche breekt de douchestang af, wat de langzaam wegrottende badkamer onder water zet. Maar tot krediet van Hotel Pamir moeten we toegeven dat het avondeten deftig is. Iets na tien uur valt de elektriciteit uit en daarmee wordt de nacht definitief ingeluid.
Alweer vervloekte ‘golfplaten’
We tanken in Murghab, de benzine wordt met een emmer aangevoerd. Daarna wordt de naft gedecanteerd zoals een betere wijn en vervolgens met een kruik in onze tank gegoten.
Wat volgt is onze mooiste en meest spectaculaire rit door de Pamir. De weg begint deftig geasfalteerd, wat op deze hoogte gewoonweg verbazingwekkend is, maar al spoedig ontaardt de zaak in een redelijk forse offroadervaring. We kruisen de 4.655 m hoge Akbaytal-pas. De motoren grommen. Soms zie ik mijn kompaan aan de overkant van de vallei rijden, wat een vergezichten! De volgende tientallen kilometer rijden we tot onze wanhoop weer over ‘golfplaten.’ Je probeert werkelijk alles om ze te vermijden, ook op de rand van de weg rijden, maar dan riskeer je door een uitschuiver in het stuifzand een meter of twee lager plat of je buik te belanden. Want de vreselijke weg ligt op een talud.
Als ik even een andere piste probeer, die naast de hoofdweg ligt, raken Frank en ik elkaar kwijt, maar een uur later zijn we weer herenigd, gelukkig, want op deze godverloren hoogvlakte van boven de 4.000 m is er niemand aan wie je kan vragen of hij of zij je maat niet heeft gezien. Het ‘dak van de wereld’ blijkt hier een plat dak, waarover een koude wind giert, die ons verplicht onze helmvizieren te sluiten. Over tientallen kilometer rijden we nu vlak naast de grens met China. Hij is afgepaald met prikkeldraad. Frank wil per se in China geweest zijn. Hij stopt en kruipt door een gat in de draad China binnen. Afgevinkt!
Het Karakulmeer
Nadat we over een zoveelste bult zijn gereden, doemt aan de horizon plots het Karakulmeer op. Het lijkt aanvankelijk wel op een luchtspiegeling in pastelkleuren, waarbij het turkooisblauwe water van het meer overgaat in de bevroren sneeuw van de bergreuzen die erachter liggen. Daaronder de Pik Lenin (7.134 m), die als een witte muur magistraal boven alles uit torent.
De weg is nu een lang lint dat wel dertig kilometer recht naar de horizon loopt. We stoppen in het midden van de baan om foto’s te nemen, waarbij we het statief een uur lang midden op de weg laten staan. Er passeert niemand. Of toch: de Rus en zijn zijspan, met moeder en kind aan boord. Ook zij hebben de Pamir bijna overleefd. Nog één hoge pas te gaan.
Het moment van de waarheid
Die pas is de fameuze Kyzyl-Art Pass (4.280 m) die de grens van Tadzjikistan en Kirgizië vormt. Dit is ons moment van de waarheid: laten de Kirgiezen ons binnen? Onderweg zijn we al een paar reizigers tegengekomen die erover zijn geraakt, dus we hebben goede hoop, maar toch blijft het een moeilijke affaire. Of je binnen mag hangt namelijk af van het feit dat de verplichte mail die je naar de Dienst voor Toerisme in Kirgizië moet sturen ook is doorgestuurd naar de grenspolitie en de douane. Frank heeft die mail twee weken geleden doorgezonden en nu is het te hopen dat de grenswachten die in hun bezit hebben …
Aan de Tadzjiekse kant van de grens is er niet het minste probleem. “Heb je geen sigaret?”, vraagt de vriendelijke grenswacht, wanneer hij ons met een handdruk bij zijn eenvoudige barak verwelkomt. Dan weet je dat het wel in orde komt.
Dan naar de buren. Hun grenspost ligt tegenwoordig 15 km verderop, na de afdaling van de Kyzyl-Art Pass. Vijf jaar geleden lagen beide grensposten bijna vlak naast elkaar boven op de pas, maar sinds de oorlog is dat grondig veranderd. De Kyzyl-Art Pass was ook verhard, maar daar is nu geen sprake meer van. De pas zelf wordt nu gevormd door een ruw stuk onverharde piste. Zo kan de vijand moeilijker met jeeps en pantserwagens binnen vallen …
Wanneer we aan de Kirgizische grenspost aankomen, zien we dat de poort dicht is. Er staan een paar Russische motorrijders te wachten, net als een stel Spaanse fietsers en twee Italianen die met een Fiat Panda door de Pamir zijn gereden. Zowel de Spanjaarden als de Italianen hebben slecht nieuws: “We hebben die mail wel verstuurd, maar hier zeggen ze dat ze hem niet hebben gekregen.” De Italianen ogen bedrukt: ze wachten al drie uur. De Spanjaarden krijgen te horen dat ze best naar Tadzjikistan terugkeren.
We geven onze paspoorten af en wachten. Na een half uur komt de grenswacht terug en roept onze namen af: als enigen van de wachtende groep mogen we de grens oversteken. Yihaaaa!!!
De grensformaliteiten nemen niet veel tijd in beslag. Alleen de inklaring van onze motoren loopt niet al te best. Op de duur zegt de douanier: “Ik wil jullie niet langer ophouden. Ons computersysteem functioneert niet. Ik zal jullie de formulieren volgende week via Whatsapp opsturen.”
En dus rijden we met niet-ingeklaarde motoren Kirgizië binnen. Whatsapp! Dat valt alleen maar te hopen. Het zal spannend worden als we straks Kirgizië weer buiten rijden, richting Kazachstan: Papieren bitte!
Euh, haben wir nicht.
Soldaten
Bij valavond vinden we logement in Sary-Tash, een dorp in Kirgizië, waar we een groepje Kirgizische soldaten ontmoeten. Hun leider heet ons welkom in zijn land. Hij legt uit dat je in Kirgizië drie jaar onder de wapens moet. Of hij heeft deelgenomen aan de grensgevechten? “Ja”, zegt hij en maakt het universele gebaar van iemand die een geweer schoudert en afvuurt. “De president van Tadzjikistan is de oorlog begonnen. Er vielen aan onze kant 43 doden. Bij de Tadzjieken zijn het er meer.”
Ongetwijfeld zullen ze in Tadzjikistan het omgekeerde beweren.
Het grensconflict draaide om waterrechten en ook om de onduidelijk afgebakende grenzen tussen beide landen, die nog uit de tijd van de Sovjet-Unie dateren. Nu heerst er weer een soort gewapende vrede. We nemen afscheid met een handdruk.
“Good luck. Hopelijk blijft de vrede duren.”
“Da. Have a nice stay in Kirgizstan.”
Flappentapper
In de vroege ochtend van de volgende dag rijden we de machtige Pamir uit. Nu op een mooie asfaltweg, zonder putten. Nog eenmaal toont het massief ons zijn mooiste kant, wanneer we tussen baksteenrode bergen rijden, altijd maar lager, tot de temperatuur weer flink stijgt.
In de dorpen langs de weg zwaaien twee meisjes ons lachend, maar wat timide toe. Het is ontroerend: ze lijken oprecht blij dat wij hier door hun land rijden om onze dure hobby te kunnen uitleven.
In het eerste dorp van enige omvang besluiten we geld te laten wisselen. Of is er hier misschien een geldautomaat? Frank spreekt een jongeman aan. In letterlijk uit het Vlaams vertaald Engels zegt hij: “I look for a machine so I can take money out of the wall.”
De jongeman bekijkt hem met een blik die verraadt dat hij er zeker van is dat de gehelmde die hem aanspreekt zonet uit een gesticht is ontsnapt.
Maar dan tovert de jongen zijn smartphone te voorschijn en verzoekt Frank zijn vraag daarop in te typen. Wat later is de vraag vertaald in het Kirgizisch en nu klaart het gezicht van de jonge kerel op: hij wijst ons de weg naar de ‘flappentapper’. De wonderen van de techniek!
In de aangewezen straat vinden we er zeven. En ze leveren volop biljetten. Dat zegt iets over de connectie van Kirgizië met de moderne wereld.
Bewondering, verwondering, verbazing, respect …
En goei moto’s begot.
Maar ge hebt sjaans met ’t weer hé. 😁
Afscheid van de Pamir!
Fantastisch dat jullie de horde met de al dan niet gesloten grensovergang met brio genomen hebben. Deze route met wolfijzers en schietgeweren heeft jullie uithoudingsvermogen serieus op de proef gesteld. Spijtig van de “uitschuivers” en andere ongemakken onderweg (gelukkig zonder grote gevolgen).
Het verhaal over de spanningen bij de douaneposten, jullie verblijf in het “luxe-ressort”, de straat met wel zeven “geldmachientjes” het korte, stiekeme bezoekje aan China, het contact met mensen etc. is weer een juweeltje … Top 👍 👍
Ik geniet met volle teugen van jullie avontuur.
In de Kempen lopen toch nogal sjarels rond hé.
Seg Struik, dieje boek is toch klaar voor maart vlg jaar mag ik hopen.
Tot aan d’n toog.
Piet.
NeeNee Piet,
Ik woon in Zwitserland.
Groeten,
Sjarel